Suche:


Welkom

Over Wildemann
Ligging
19-Lachter-Stollen
Streek- en herdersmuseum
Bergboerderij
Kerk
Kuurpark
Geschiedenis
13e en 14e eeuw
16e eeuw
Kroniek van de Bergstadt door Carl Grothe
III. De mijnbouw in Wildemann voor 1600
Sagen
Tradities
Impressies
Wildemann voor ...
Routebeschrijving
Contact
Uitgever en redactie
   

16e eeuw

Ga naar het
Harzer Hondenbos!

De hervatting van de mijnbouw en de stichting van de Bergstadt

Een nieuwe bloeitijd van de Oberharzer mijnbouw begint onder Heinrich d.J. von Braunschweig – Wolfenbüttel. Hij zette het werk voort van zijn grootmoeder, hertogin Elisabeth, die vanaf haar verblijfplaats, de Staufenburcht bij Gittelde, de ijzerertswinning op de Iberg bij Grund met succes had bedreven. Naast ijzererts richtte de hertog zijn blik op de winning van zilvererts en wekte daarmee ook deze manier van mijnbouw weer tot leven.
De aanzet hiertoe werd gegeven door de hertog van Sachsen, die een goede vriend van Heinrich was. Op zijn advies werden “Pingen”, ingestorte mijnschachten, stortbergen en slakken van de “Alten Mann” onderzocht en werden enkele oude mijnen weer in gebruik genomen.

Omdat er een gebrek aan mijnwerkers en mijnbeambten was, vaardigde de hertog in 1524 de “Verordening voor de mijnbouw in en bij Gittelde in Grund” uit en verstrekte hij de eerste mijnvergunning, de zogenaamde “Bergfreiheit”. Uit alle windstreken waar al mijnbouw werd gepleegd, kwamen de mijnwerkers toegesneld.
Een aantal van hen kwam uit het Innerstedal en opende op de plek, waar nu onze Bergstadt ligt, de eerste groeve en gaven deze de naam “Wilder Mann”. Tegelijkertijd werd de “Tiefe Wildemanns-Stollen”, die nu de “13 Lachter Stollen” heet en waaraan de “Alten Mann” al begonnen was, en onder de stad bij de treintunnel uitmondt, verder uitgegraven.

Dat de Wildemanner mijnbouw in 1524 weer in bedrijf was, is nog niet het bewijs, dat op deze plek ook meteen een nederzetting verrees. De mijnwerkers zouden vanuit het nabijgelegen gehucht Grund, waar al sedert 1505 mijnbouw werd bedreven, hun werkplaatsen in de bovengenoemde Stollen en in de bovenvermelde groeve hebben gehad.
Na een kleine onderbreking –vele mijnwerkers waren vanwege de betere verdiensten naar Goslar uitgeweken- nam de mijnbouw in Wildemann zo’n grote vlucht dat er nu voor het eerst ook woonhuizen werden gebouwd. Hardanus Hake bericht daarover:
"Anno 1529. Ist der Wildeman aufkommen durch Caspar Bitter. Zu dieser Zeit hat man den Anschnitt im Grunde gehalten, weil auf Wildeman noch niemand gewonet hat."
Honemann, die in zijn bericht over de stichting van Bergstadt Wildemann Hake als bron vermeldt, heeft echter zelf het woord “wieder” (weer) toegevoegd, hij schrijft:
"Doch hatte bisher in Wildemann noch niemand wieder gewohnet."(Honemann II.Teil,§44..)
Dit toegevoegde woord „wieder“ is de reden dat ook latere geschiedschrijvers de mening zijn toegedaan dat Wildemann ook in vroegere tijden, ten tijde van de „Alten Mann“, als nederzetting bestond.

Voor mij, als opsteller van deze beschrijving, is toch de bergchroniek van Hardanus Hake als oudere historische bron leidend, en om die reden beschouw ik 1529 als het stichtingsjaar van Bergstadt Wildemann.
In het begin bedreef hertog Heinrich nog op eigen kosten de mijnbouw, maar al snel kreeg hij partners, onder hen niet alleen edellieden, maar ook kooplieden uit Braunschweig, Magdeburg, Bremen, Lübeck en Hamburg.
In het bijzonder op verzoek van de bouwlustige Magdeburger Gewerken gaf de hertog in het jaar 1532 voor zijn Harzgebied een nieuwe, de tweede, “bergvrijheid” uit. Deze regelde de rechten en plichten van de mijnheren en hun bouwwerkzaamheden. Volgens deze bergvrijheid was het eenieder toegestaan naar erts te zoeken, op voorwaarde dat een tiende deel de hertog werd geschonken en hem het resterende gedolven erts tegen zogenaamde voorkoopprijzen (ongeveer ¾ van de marktprijs) werd afgestaan en men zich hield aan de bestaande mijnbouwvoorschriften. In ruil daarvoor waarborgde de landsheer allerlei privileges, zoals de vrije houtkap voor de mijnschachten, huizen, maar ook voor het smelten van het erts; grond voor deze bouwsels; de mogelijkheid voor akkerbouw en beweiding; vrij gebruik van het oppervlaktewater; een (beperkte) vis- en jachtvergunning; vrijstelling van belasting en tol; vrijstelling van dienstplicht met uitzondering van calamiteiten; voor de eerste jaren vrije zilververkoop en vrijstelling van het betalen van het tiende deel; onschendbaarheid voor vervolging op grond van gerechtelijke uitspraken van buiten de regio; eigen burgerlijke en mijnbouwrechtspraak; voor de te stichten bergstadt markt-, brouw- , beenhouwers- en bakkerijrechten en de zelfstandige verkiezing van rechters en raad. (Morich)

Ondanks dat in deze bergvrijheid alleen de plaatsen Grund en Zellerfeld worden genoemd, geldt deze ook voor de op dat moment in aanbouw zijnde Bergstadt Wildemann. Reeds in 1534 maakt de jonge stad gebruik van het in de bergvrijheid gezekerde recht een eigen rechter te kiezen. Men kiest Veit Bauer, en wordt zodoende in 1534 een “vrije” bergstadt.

De bergvrijheid van 1532 had door de vele privileges voor de mijnwerkers en andere inwoners een grote toestroom van migranten tot gevolg. De instroom van mijnwerkers en –beambten en handwerkers steeg elk jaar weer. Wildemann werd al snel het epicentrum van de gehele zilvermijnbouw, zodat de Anschnitt, de door de mijnbouwautoriteiten wekelijks opgestelde verantwoording- van Grund naar Wildemann werd verplaatst.

Al in 1532 werd in Wildemann de eerste zilversmelterij van de Oberharz aangelegd, in welke het blinkende erts in edelmetaal werd omgevormd. Toch heeft Wildemann nooit een munterij gehad. De zogenoemde Wildemanns-munten danken hun naam niet aan de munterij, maar aan de beeltenis op de munt, de Wilde Mann, die hertog Heinrich de Jongere ter ere van de Groeve de Wilde Mann op de munt liet afbeelden.
Een oud handschrift, die de chroniqueur Calvör in de Zellerfelder mijn-archieven vond, getuigt van de vergaande ontwikkeling van hertog Heinrichs mijnbouw in de jaren 1532-1534. In het document worden 49 Zechen (mijnen) in het gebied Wildemann, Zellerfeld en Grund genoemd. Calvör geeft naast een opsomming van deze mijnen, o.a. “Wildemann Fundgrube Obernächste Mass und Erbstolln”, “Wilde Frau und wilde Brüder”, Alter Stolln”, Richtschacht auf dem Wildemann”, nog aan in welke van deze mijnen zilvererts werd gewonnen. De “Wildemann Fundgrube” prijkt bovenaan de lijst. Haar zilveropbrengst bedroeg in de mijnkwartalen

Crucis 1533 =

1

Mark

12

Loth

2

Quent

Luciae 1536 =

2

"

8

"

-

"

Reminiscere 1538 =

6

"

8

"

-

"

Crucis 1538 =

28

"

-

"

-

"

Luciae 1538 =

57

"

12

"

2

"

Reminiscere 1539 =

260

"

-

"

-

"

Luciae 1539 =

219

"

3

"

1

"

Reminiscere 1540 =

107

"

5

"

1

"

Trinitatis 1542 =

432

"

14

"

-

"


De term “Mark” is niet de munt, maar een zilvergewichtseenheid. Eén Mark woog ongeveer ¼ kg, om precies te zijn: 233,8 gram.
1 Mark = 16 Loth, 1 Loth = 4 Quent.

Vergelijkt men de opgave van Calvör van de ertsopbrengsten met de opbrengsten van de andere mijnen -slechts een klein aantal leverde zilver- dan blijkt dat de “Wildemann Fundgrube” verantwoordelijk was voor meer dan 75% van de totale zilverwinning.

De mijn “Wildemann” werd ook gebruikt voor experimenten met nieuwe mijnbouwmethoden. In 1536 bouwde de mijnopzichter Michael Hussler een waterpomp, een “Heinzen”. Het experiment mislukte, maar in het daaropvolgende jaar werd de pomp door de mijnopzichter Ambrosius Schuster verbeterd en bruikbaar gemaakt. De Wildemanner mijnbouw kreeg daardoor een goede reputatie en lokte nog meer mijnwerkers, zodat de bevolking alsmaar groeide.

Een overzicht van de snelle ontwikkeling van onze bergstadt geven twee oude Wildemanner stadsboeken, die zich nu in het Oberharzer museum in Zellerfeld bevinden. Professor Denker, die in de gelegenheid werd gesteld deze geschriften te onderzoeken, schrijft daarover in Band 40, S. II0 ff van het “Zeitschrift des Harzvereins für Geschichte und Altertumskunde”:
“Het zijn de oude stadsboeken, of hoe ze dan ook werden betiteld, de gerechts- en handelsboeken van Wildemann. Het ene, slechts 8 vellen omvattend, stamt uit het jaar 1543, het andere, 107 pagina’s groot, is in 1544 opgesteld. Ze bevatten allerlei gerechtelijke uitspraken en zijn daarnaast ook, namelijk in dat van 1544, gebruikt als kadaster en bevatten als zodanig de hofstedes en weiden, met de eigendomsaktes”.

Uit het oudste register is op te maken dat Wildemann tot 1542, 54 woonhuizen telde. Het register uit 1544 wijst daarentegen al op 69 hofstedes en laat een levendige eigendomswisseling zien. In het jaar 1546 komen daar nog eens 7 nieuwe, in 1547 zelfs 24 (in de stad zelf 11, 13 in het Spiegeltal en op de Wunderlichen Heinzen, allen tussen 15 september en 7 november vergeven ) bij. In dezelfde periode werden ook 5 daarvan in de stad verhuurd. De stad, waarvan in 1529 nog geen spoor was, ontwikkelde zich in een razend tempo. In 1534 kreeg ze in de persoon van Veit Bauer haar eerste rechter, in 1544 heeft Wildemann al zoveel huizen als het veel oudere Grund, tegelijkertijd hechten mijnwerkers en kerkgemeente belang aan een goede verstandhouding, zo blijkt uit de Vastenzondag van dat jaar "das Knapschaft und Gemeyn mit Eynnahm und aussgab Ein Dingk seyn sol.“
Roerige tijden –Heinrich d.J. had zijn land voor de vorst van de Schmalkaldische Bond moeten verlaten- stagneren de ontwikkeling van de plaats, die net als Zellerfeld veel te lijden had. Met de terugkeer van de oude mijnbouwheer in het jaar 1547 groeit het aantal hofstedes in één klap sneller dan in de vijf voorafgaande jaren samen en met bijna zoveel als in de volgende 24 jaren tot 1571, wanneer Wildemann 130 huizen telt.

In dezelfde band van het bovengenoemde tijdschrift geeft Denker ook een overzicht van de bevolking van Wildemann naar een “Register van dienstplichtige mannen” uit 1571, dat zich in het Landsarchief in Wolfenbüttel bevindt:
“ De stad telt 372 volwassen mannen, 124 zijn huiseigenaar, 84 huurder, beide categorieën zijn gehuwd, tezamen dus 208 gezinnen. Het aantal vrijgezellen bedraagt 164. Men kan de totale bevolking op grond hiervan schatten op minstens 1200 inwoners.
Van hen waren de meesten mijnwerker, in totaal 219 man. Daarnaast aan divers personeel: 30 groeven opzichters,10 Poch opzichters, 1 Stollen opzichter, 1 kunstbaas, 11 ploegleiders, 3 gezworenen, 1 Zehntner, 1 Zehntgegenschreiber, 1 smelterijbaas, 1 smelterijklerk, 1 gewezen smelterijklerk, 1 roest vrijwaarder, 3 smelters, 1 zilverbranders, 1 aborteur, 1 boswachterijklerk,1 boswachter, 10 mijnsmeden, 5 timmermannen, 8 koetsiers, 10 houtvesters, 2 zagers (lattenzagers), 1 karrenmaker, 1 wielas maker, 1 spanenmaker. Aan kleine zelfstandigen: 5 bakkers, 2 slachters, 2 schoenmakers en een gezel, 6 kleermakers en een gezel, 3 molenaars, 1 meubelmaker, 1 leerlooier met een gezel, 2 metselaars, 1 smid, 2 kuipers, 1 linnen wever, 1 badhuisuitbater (dat wil zeggen een badhuis annex wondarts), 1 bierbrouwer, 1 herbergier en bierverkoper, 1 kruidenier, ook wordt melding gemaakt van een vogelvanger en twee dagloners. "

Denker onderzocht ook het "Register über die Fahnenknechte auffen Wildemann" uit het jaar 1585, dat zich ook in het Landsarchief in Wolfenbüttel bevindt, en schrijft daarover:
“Uit dit document blijkt dat van de circa 120 dienstplichtigen van Wildemann slechts circa 20 hier zijn geboren, de andere 100 echter in de periode tussen 1545 en 1583 van elders zijn gekomen, waarvan een enkeling in de kindtijd, dus samen met zijn ouders. De helft van deze mannen stamt uit het Ertsgebergte en heeft zich vooral in de 60-er en 70-er jaren in Wildemann gevestigd.”
Uit het oudste Wildemanner stadsboek hebben we geleerd dat de plaats tot 15 42 al 54 woonhuizen telde. Omdat de mijnbouw elk jaar hogere opbrengsten bracht en het inwonertal zich steeds vermeerderde, ging men ertoe over een eigen kerk te bouwen, zodat de godsdienst niet meer –zoals Hake bericht- in de herberg of bij goed weer op de marktplaats beleden hoefde te worden. Met de bouw van de kerk werd in 1541 begonnen, en op de dag Maria Magdalena 1545 werd het godshuis door de predikant Gnaphäus uit Zellerfeld –die ook Wildemann bediende- ingewijd.
Toen echter het inwonertal in beide bergsteden steeds groter werd en de zielezorg te omvangrijk werd voor één geestelijke, kreeg Wildemann in 1548 een eigen predikant. Over de naam van deze predikant verschillen de chroniqueurs van mening. Hake noemt hem niet bij naam, en het Wildemanner stadsboek noemt ene Peter Kern vanaf 1549 als dominee.

Het volgende is nog vermeldenswaard:
Toen de inwoners van Wildemann hertog Heinrich verzochten zelf een Lutherse geestelijke te kunnen kiezen, kregen ze tot hun misnoegen het antwoord dat als ze aan één Lutherse predikant niet genoeg hadden, ze er dan maar twee moesten nemen, van hem –de hertog- diende men echter geen bijdrage te verwachten.
Met tegenzin had de katholieke hertog Heinrich erin toegestemd dat de mijnsteden Zellerfeld en Wildemann een Lutherse predikant verkozen. De angst dat de mijnwerkers hun dreigement te vertrekken zouden waarmaken, en daarmee het voorbestaan van de mijnen op het spel zouden zetten, gaf de doorslag.
Het verzet van de hertog tegen het evangelische geloof vormde een groot gevaar voor de bloeiende mijnbouw. Door de voor de hertog slecht verlopen veldtochten tegen de in de Schmalkaldische bond verenigde evangelische vorsten, braken voor de mijnbouw slechte tijden aan. Als de bond in 1542 met een machtig leger optrekt tegen de hertog, vlucht deze naar Beieren. De stad Goslar, die jaloers was op de rijke zilvermijnen van de Wildemanner groeven en in onmin leefde met Heinrich, benut de afwezigheid van de hertog om in 1545 Bergstadt Wildemann te overvallen en te brandschatten en plunderen. Deze overval heeft Hake in zijn Bergchronik uitvoerig beschreven.

Hertog Heinrich, die na de voor hem ongelukkig verlopen veldslag bij Höckelheim in 1545 gevangen was genomen, werd na de nederlaag van de evangelischen bij Mühlberg in 1547 uit de gevangenschap in Ziegenhein vrijgelaten, en kon terugkeren naar zijn land.
Hij zette de mijnbouw –die ook de Schmalkalden voor eigen gewin hadden voortgezet- met hernieuwde ijver voort . In mei 1552 belegerde hij met succes Goslar en kreeg daarmee weer de mijnen in de Rammelsberg in handen. De bewoners van Wildemann waren, samen met die uit Zellerfeld en Grund toegesneld om getuige te zijn van de vergelding van de overval van 1545.
Ook het jaar 1553 was voor Wildemann een ongeluksjaar. Reeds in 1552 verscheen graaf Vollrath van Mannsfeld, die overal met geweld de weg vrijmaakte voor het Lutherdom, plunderend en brandend in het land van hertog Heinrich de Jongere. Ook de Oberharz bleef hiervan niet verschoond, en op zondag Sexagesimä van het jaar 1553 overviel een rondzwervende bende van zo’n 200 man Bergstadt Wildemann, plunderde en brandschatte, zodat het geheel afbrandde.
De mijnbouw werd ook nog door een andere vijand bedreigd, namelijk het grondwater, dat men door de toenemende diepten van de groeven niet meer de baas kon. Al in 1536 had men pompen, die „Heinzen“ genoemd werden. Ze voldeden voor eenvoudige werkzaamheden, maar konden niet het water uit de grotere diepten oppompen.
Op advies van oberbergmeister Peter Adner besloot Heinrich, ondanks de hoge kosten enkele „Stollen“ te bouwen, waarin het water uit de groeven zich snel kon verzamelen en kon worden afgevoerd.
In 1555 liet Heinrich allereerst de "Tiefen Himmlischen - Heeres - Stollen“ bij Adlersberg en de "Oberer Wunderlichen Heinzen - Stollen" in het Spiegeldal bouwen. In de jaren 1560 en 1561 volgden nog twee andere: de "Hütschenthaler - Stollen" en de "Obere Stuffenthaler - Stollen".
Ook zorgde Heinrich, door de aanleg van mijnmeren en –vijvers, voor de broodnodige voorraden water voor droge tijden. Volgens Hake heeft men in het Spiegeldal in 1565 een verzamelbekken aangelegd. Omdat de schachten onder deze plek lagen, moest men om het water te kunnen afvoeren lange watergreppels aanleggen.
Hertog Heinrich was zo tevreden over de mijnbouw en haar hoge opbrengsten dat hij in de jaren 1555 en 1556 verbeterde en uitgebreidere bergvrijheden uitgaf, in welke nu ook naast Grund en Zellerfeld, Wildemann als vrije Bergstadt werd genoemd.
De uitvaardiging van de bergvrijheid van 1556 was aanleiding tot een bezoek in datzelfde jaar. Volgens Hake verscheen de hertog vroeg in de ochtend vanuit zijn slot Staufenburg in Wildemann en reed eerst naar het hoogstgelegen blokhuis, om de Zehnter Hans Hesse bij zich te roepen. Omdat deze zich niet liet zien, zei de hertog tot zijn gevolg: „hij heeft gisteren gezopen en slaapt nog“.. Daarna daalde men af naar de Hüttenhof. Ondertussen waren de bewoners wakker geworden, en in het bijzonder de kinderen hadden de hertog met de volgende woorden begroet: „Wees welkom, genadige heer!“. Deze dankte de kinderen oprecht en zei tegen zijn begeleiders: "Als de kinderen ons al zo ontvangen, dan zullen ook de ouderen ons graag zien“.
Inmiddels was ook de Zehntner, die zich had verslapen, ten tonele verschenen en verontschuldigde zich bij de hertog. Van de hut ging het vervolgens naar de groeve "Himmlisches Heer“, waar de hertog de gedolven ertsen bezichtigde en met enkele mijnwerkers vriendelijke woorden uitwisselde, hun vlijt prees en hen beloofde voor hen een genadige vorst en vader te zullen zijn.
Ook op hoge leeftijd toonde Heinrich nog altijd grote interesse voor de mijnbouw en overtuigde zich bij tijd en wijle van de toestand van de belangrijkste Zechen. Zo bezocht hij –zoals Hake bericht- in het jaar 1563, begeleid door zijn gemalin Sophie- vanuit de Staufenburcht nog eenmaal zijn Bergstadt Wildemann. Nadat de beide groeven „Wildemann“ en "Himmlisches Heer" in ogenschouw waren genomen, ging het gezelschap door het Stufendal langs de groeven „Reicher Trost" en "St. Michael“ door naar "Bleifeld“. Hier hadden zich vele mijnwerkers in vol tenue ter begroeting van het hertogspaar in rijen opgesteld. De Bergheer prees in zijn toespraak de ijver en gehoorzaamheid van zijn mijnwerkers en beloofde hen hun rechten niet aan te tasten.
Daarna ging men in optocht naar Zellerfeld, waar de mijnwerkers in opdracht van de hertog enkele vaten bier en wijn kregen, wat de feestvreugde nog verder verhoogde.
De jongeren van Wildemann hadden zich met houten zwaarden bij de optocht gevoegd, waarbij een aan een stok gebonden „Arschleder" als vaandel dienst deed. Ze stelden zich zo op dat de hertog en de hertogin hen goed konden zien. Daarop verscheen de Zellerfelder jeugd in soortgelijke uitrusting. Beide partijen gaven er blijk van hun krachten te willen meten, tot genoegen van de hertog. Gabriel Philipps stelde de jongeren van Wildemann in slagorde op en Valentin Weidenhauwer verklaardde zich tot aanvoerder van de Zellerfelder knapen. Al snel ontstond een gevecht, aan beide zijden met bebloede hoofden tot gevolg. Toen ook de ouderen zich mengden in het gevecht en menig vader zijn zoon te hulp schoot, beval de hertog breeduit lachend, de tegenstanders uit elkaar te halen. Nadat dit was gebeurd werden de door hun genadige hertog geschonken versnaperingen gemeenschappelijk en eendrachtig geconsumeerd.
Voorgaande anecdote geeft aan hoe goed de verstandhouding tussen hertog Heinrich de Jongere en zijn mijnwerkers geweest is.
Al was hertog Heirich een meedogenloze en gewelddadige vorst, voor de Oberharz was hij een ware landsvader, die de bewoners van de mijnsteden niet alleen hun geloof gunde, maar hen ook alle gunsten verleende en het beste toebedeelde, voor zover dat mogelijk was binnen de toenmalige verhoudingen. Als hem nood er ore kwam, heeft hij geholpen. Bewonderenswaardig was de wijze waarop hij was begaan met de armen en minderbedeelden onder zijn onderdanen.
Toen hertog Heinrich op 11 juni 1568 op 79-jarige leeftijd stierf, waren de mijnsteden „verbijsterd en ontzet en hebben hem met gekerm en groot weeklagen betreurd en beweend“.


Wandern

Wanderkarte

Webcam

Urlaub mit Hund

Hundewald Harz